Heeft u uw
financiŽle zaken
op orde?

Lees de checklist

Intermedis A & A

Partnerverklaring

Geplaatst op: 07-02-2020, 10:58:31

Een notaris krijgt geregeld de vraag van cliënten of het verstandig is de zogenaamde partnerverklaring te tekenen. Daar is geen eenduidig antwoord op te geven, aangezien dit afhangt van diverse factoren zoals het te ontvangen weduwepensioen en de renteclausule. Bovendien is van belang wat de wensen van de cliënt zijn. Is de motivatie zo min mogelijk erfbelasting betalen of speelt ook mee dat de kinderen moeten delen in de uitkering van de verzekeraar?

In dit artikel hopen we u een aantal handvatten te geven zodat u die ogenschijnlijk zo simpele vraag per individueel geval kunt beantwoorden. Daarbij zullen we een onderscheid maken tussen de civielrechtelijke consequenties enerzijds en de fiscale (meer specifiek de erfbelasting) anderzijds van het al dan niet tekenen van de partnerverklaring.

We beginnen met een korte beschrijving hoe de partnerverklaring werkt, gevolgd door een (eenvoudige) casus. Aan de hand daarvan wordt schetsmatig vastgesteld hoeveel erfbelasting afgedragen moet worden door de langstlevende en hoeveel door de kinderen van de overledene. Hierbij kijken we zowel naar de heffing als slechts één van de partners overlijdt, als naar de situatie die zich voordoet wanneer beiden niet meer in leven zijn.

Vervolgens zal nog de (mogelijke) invloed van een kruislingse polis/premiebetaling op de heffing van erfbelasting bespreken, waarbij we het belang van correcte bepalingen daaromtrent in huwelijkse voorwaarden casu quo samenlevingscontracten zal toelichten. We ronden af met een korte samenvatting.

Voor de leesbaarheid kiezen we er voor om enkel over gehuwden en huwelijkse voorwaarden te spreken. Hetgeen we hierover opmerken, geldt echter evenzeer voor geregistreerd partners en hun partnerschapsvoorwaarden.

PARTNERVERKLARING (TE) SIMPEL GESTELD

Als twee mensen een woning kopen, zullen zij meestal geld moeten lenen bij een financiële instelling (hierna ook: bank). Het risico dat de debiteur overlijdt vóórdat de lening is afgelost, wil de bank doorgaans afdekken door het afsluiten van een zogenaamde overlijdensrisicoverzekering (hierna ook: ORV).

De bank zal daarnaast zekerheid willen hebben dat de uitkering van de ORV ook daadwerkelijk op zijn rekening binnenkomt, zodat aflossing van de lening gegarandeerd is. Dat kan bereikt worden doordat de debiteur de rechten uit de polis verpandt aan de bank. Hierdoor wordt de bank de eerste begunstigde voor de uitkering.

Maar de bank en de debiteur kunnen ook kiezen voor de zogenaamde partnerverklaring. De partner van de debiteur wordt in dat geval de eerste begunstigde van de uitkering. Om te zorgen dat de uitkering toch bij de bank binnenkomt ter aflossing van de schuld, leggen de partner en de bank vast dat de partner de verzekeraar opdracht geeft de uitkering namens hem/haar uit te betalen aan de bank.

Een simpele vuistregel is, dat zonder partnerverklaring de uitkering door de verzekeraar in de nalatenschap valt. In dat geval hebben alle erfgenamen recht op een deel daarvan.

Als er wel een partnerverklaring is, heeft de partner een zelfstandig recht op de uit te keren gelden. Alleen de partner ‘erft’. De andere erfgenamen hebben geen recht op de uitkering.

BASIS CASUS

In dit artikel gaan we uit van de volgende situatie. Man (59 jaar) en vrouw (54 jaar) zijn in 1988 gehuwd zonder het maken van huwelijkse voorwaarden, dus in de wettelijke (algehele) gemeenschap van goederen.
Zij hebben tien jaar geleden een woning aangekocht. De koopsom was € 300.000. Zij hebben € 300.000 onder hypothecair verband geleend van de bank.
Op het leven van de man is een ORV afgesloten met een verzekerd bedrag van € 300.000 en de vrouw als eerste begunstigde. De man moet de premies voor de ORV betalen omdat hij de polis heeft afgesloten.
Het stel heeft twee kinderen, een zoon van 29 jaar en een dochter van 28 jaar.
Anno 2019 is de woning € 500.000 waard. Daarnaast bezitten ze nog € 100.000 aan spaargeld en aandelen.
De man overlijdt zonder dat hij een testament heeft laten opstellen.
De polis komt tot uitkering en de verzekeraar betaalt uit, waarna de hypothecaire geldlening geheel is afgelost.

ZONDER PARTNERVERKLARING

Erfbelasting kinderen

Zonder partnerverklaring is de bank de begunstigde. De aflossing van de woningschuld komt daardoor geheel ten goede aan de gemeenschap van goederen waarin de man en de vrouw gehuwd waren.

De gemeenschap bedraagt per saldo: € 600.000.
(woning ad € 500.000 + spaargeld/aandelen ad € 100.000 -/- hypothecaire lening ad € 300.000 + uitkering ORV ad € 300.000).

Het aandeel van de man in deze gemeenschap is de helft. Zijn erfenis is derhalve € 300.000.

Hierin zijn gerechtigd zijn drie erfgenamen, ieder voor een gelijk deel. De vrouw, de zoon en de dochter erven dus ieder € 100.000.

Doordat de wettelijke verdeling van Boek 4 Burgerlijk wetboek van toepassing is, blijft het gehele vermogen bij de langstlevende echtgenote. Wel krijgen de kinderen ieder een vordering op de weduwe ter grootte van hun kindsdeel ad € 100.000.

Voor de heffing van erfbelasting wordt die vordering als een belastbare verkrijging gezien. Ieder kind erft tenslotte € 100.000. Op basis van de – civielrechtelijke – wettelijke verdeling kunnen de kinderen hun erfdeel echter niet direct opeisen. Tevens is – op grond van diezelfde civielrechtelijke regeling – deze vordering renteloos (althans op basis van de huidige stand van de wettelijke rente). De kinderen zullen daarom niet worden aangeslagen voor de nominale waarde ad € 100.000, maar voor een lager bedrag. Op basis van de tabel in artikel 5 uit het Uitvoeringsbesluit successiewet 1956 is de fiscale waarde van de vordering 28% van de nominale waarde, oftewel € 28.000.

De vrijstelling van de erfbelasting voor een kind is € 20.000 (afgerond). De belaste verkrijging per kind is in dit geval € 8.000. Hierover wordt 10% erfbelasting geheven, zodat ieder kind € 800 moet afdragen.

Erfbelasting langstlevende

Zoals aangegeven erft de weduwe uit eigen hoofde een bedrag ad € 100.000 als er geen partnerverklaring is getekend.

Voor de berekening van de door de vrouw verschuldigde erfbelasting worden bij haar erfrechtelijke verkrijging nog diverse bedragen opgeteld. Allereerst het restant ad 72% van de kindsdelen, oftewel in totaal € 144.000. Zonder die bijtelling zou namelijk over een groot deel van hetgeen de kinderen van hun vader erven geen heffing plaatsvinden.

Tevens wordt voor de heffing van de erfbelasting bij de vrouw meegeteld dat zij door de uitkering van de ORV (welke door haar man was afgesloten) bevrijd is van de verplichting jegens de bank om € 150.000 af te lossen, zijnde haar aandeel in de hypothecaire lening.

Haar verkrijging is daarom € 394.000.
(erfdeel ad € 100.000 + kindsdelen ad € 144.000 + bevrijdende betaling hypothecaire geldlening ad € 150.000)

De vrijstelling voor de erfbelasting bedraagt voor haar echter € 640.000 (afgerond). De vrouw is in dit geval géén erfbelasting verschuldigd.

MET PARTNERVERKLARING

erfbelasting kinderen

Met partnerverklaring is de vrouw de begunstigde. De aflossing van de woningschuld komt daardoor aan haar ten goede in plaats van aan de gemeenschap van goederen.

De gemeenschap bedraagt nu per saldo: € 300.000.
(woning ad € 500.000 + spaargeld/aandelen ad € 100.000 -/- hypothecaire lening ad € 300.000).

Het aandeel van de man in deze gemeenschap is de helft. Zijn erfenis is € 150.000 groot.

Hierin zijn gerechtigd zijn drie erfgenamen, ieder voor een gelijk deel. De vrouw, de zoon en de dochter erven dus ieder € 50.000.

Ook in dit geval is de wettelijke verdeling van Boek 4 Burgerlijk wetboek van toepassing, waardoor het gehele vermogen bij de langstlevende echtgenote blijft. De vordering die de kinderen op hun moeder krijgen is in deze situatie € 50.000.

Voor de erfbelasting verkrijgen de kinderen nu € 14.000 (28% van € 50.000). De belaste verkrijging per kind blijft onder de vrijstelling van € 20.000 (afgerond). Door de partnerverklaring worden de kinderen in tegenstelling tot de vorige situatie niet aangeslagen voor de erfbelasting.

erfbelasting langstlevende

Zoals aangegeven erft de weduwe uit eigen hoofde een bedrag ad € 50.000 in de situatie dat er wel een partnerverklaring is getekend.

Voor de berekening van de door de vrouw verschuldigde erfbelasting worden hier nog verschillende bedragen bij opgeteld. Allereerst het restant ad 72% van de kindsdelen. Dat is in de situatie met een partnerverklaring dus in totaal € 72.000.

Tevens wordt voor de heffing van de erfbelasting bij de vrouw meegeteld dat zij de gehele uitkering van de ORV (welke door haar man was afgesloten) ontvangt.

Haar verkrijging is daarom € 422.000.
(erfdeel ad € 50.000 + kindsdelen ad € 72.000 + ORV uitbetaling ad € 300. 000)

De vrijstelling voor de erfbelasting bedraagt voor haar € 640.000 (afgerond). De vrouw is ook in dit voorbeeld géén erfbelasting verschuldigd.

PARTNERVERKLARING ALTIJD GUNSTIGER ?

Op basis van deze twee voorbeelden zou je kunnen stellen dat een ORV mét partnerverklaring gunstiger is dan eentje zonder. De kinderen betalen in de eerste situatie immers minder erfbelasting.

Maar dat hoeft niet het geval te zijn als we kijken naar de situatie waarin ook de vrouw overlijdt.

Het gehele vermogen van de beide echtgenoten is bij de weduwe terechtgekomen op basis van de wettelijke verdeling. In totaal is dat € 600.000.
(woning ad € 500.000 + spaargeld/aandelen ad € 100.000).

Voor de berekening van de over haar erfenis verschuldigde erfbelasting moeten hierop echter de vorderingen van de kinderen in mindering worden gebracht. De kinderen hebben bij het overlijden van de weduwe tenslotte recht op uitbetaling van hun vadersdeel.

Zonder partnerverklaring was het vadersdeel voor ieder kind € 100.000. Met partnerverklaring slechts € 50.000.
Zonder partnerverklaring is de erfenis van de vrouw dus € 400.000. Met partnerverklaring € 500.000.

Zonder partnerverklaring is de verkrijging voor de erfbelasting per kind dus € 200.000. Met partnerverklaring € 250.000.

Over die hogere verkrijging ad € 50.000 betaalt ieder kind 20% erfbelasting. Oftewel: ieder kind betaalt met partnerverklaring bij het overlijden van de vrouw € 10.000 méér erfbelasting).
(Hierbij is er van uitgegaan dat de vrouw de kinderen ook als haar enige erfgenamen achterlaat en bovendien tussentijds geen (papieren) schenkingen aan de kinderen heeft gedaan.)

PENSIOENRECHTEN WEDUWE

Stel nu dat de vrouw door het overlijden van haar man recht krijgt op een weduwepensioen, dan beïnvloedt dat haar verkrijging voor de erfbelasting.

De gekapitaliseerde waarde van dat pensioen wordt namelijk bij haar verkrijging opgeteld, met dien verstande dat zij altijd recht heeft op een vrijstelling van de erfbelasting ad € 166.000 (afgerond).

Er van uitgaand dat het pensioen redelijk hoog is en dus de maximale pensioenimputatie plaatsvindt, moet de vrouw erfbelasting betalen als haar ‘gewone’ verkrijging hoger is dan € 166.000.

Zonder partnerverklaring is haar ‘gewone’ verkrijging € 394.000. Met partnerverklaring is die € 422.000.

Zonder partnerverklaring is haar belaste verkrijging dus € 228.000.

Met partnerverklaring is die verkrijging € 256.000.

Aangezien het meerdere in de tweede schijf valt, betaalt de vrouw €  5.600 méér aan erfbelasting dan wanneer er geen partnerverklaring was getekend.
(20% van het verschil tussen € 256.000 en € 228.000).

RENTECLAUSULE

De fiscale waardering van de zogeheten vadersdelen kan anders komen te liggen als de kinderen en de langstlevende tijdig overeenkomen dat daarover een hogere rente zal worden vergoed. De gekozen rente zorgt er namelijk voor dat de waarde van deze kindsdelen bij de kinderen naar boven wordt bijgesteld, terwijl de bijtelling bij de langstlevende lager wordt.

Over de vordering van de kinderen zal daardoor bij het overlijden van vader meer erfbelasting betaald moeten worden. Dit kan gunstig zijn als de verkrijging van de weduwe anders in de tweede schijf belast zou worden, terwijl de heffing bij de kinderen nog plaatsvindt in de lagere eerste schijf. (20% respectievelijk 10%).

Die situatie kan zich voordoen op grond van de hiervoor geschetste bijtelling van het weduwepensioen en de daarmee gepaard gaande verlaging van het van erfbelasting vrijgestelde bedrag.

Bij het overlijden van de weduwe kan de renteclausule echter weer een matigend effect hebben op de door de kinderen te betalen erfbelasting. Haar vermogen wordt namelijk uitgehold door die rente.

Hoe een en ander exact werkt, valt echter buiten het bestek van dit artikel over de partnerverklaring.

ORV AFGESLOTEN DOOR LANGSTLEVENDE

In het voorgaande is er van uitgegaan dat de man de ORV had afgesloten en de premies diende te betalen. Vaker zal echter de ORV worden afgesloten door de begunstigde met de wederhelft als verzekerd lijf. De langstlevende ontvangt dan de uitkering omdat deze een zelfstandig recht heeft jegens de verzekeraar.

Fictieve verkrijging ORV bij langstlevende

Op grond van artikel 13 Successiewet 1956 wordt de uitkering gerekend tot de erfrechtelijke verkrijging van de langstlevende. Dat is het geval als de overledene op enig moment heeft meebetaalt aan de premie.

Was het echtpaar – zoals in onze casus – gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen, dan is dat (bijna) per definitie het geval. De premies behoren namelijk tot de kosten van de huishouding die door de man en de vrouw gezamenlijk opgebracht dienen te worden.

De uitzondering op deze regel is als de verzekeringnemer/begunstigde kan aantonen dat alle premies volledig zijn voldaan uit privé-vermogen van de langstlevende. Bijvoorbeeld uit geld dat (in deze casus) de vrouw heeft ontvangen uit een erfenis of schenking waarop een zogenaamde uitsluitingsclausule van toepassing is.

Als het koppel op of ná 1 januari 2018 is gehuwd (de invoeringsdatum van de nieuwe – beperkte – gemeenschap van goederen), is zo’n uitsluitingsclausule niet noodzakelijk. Op basis van de nieuwe wettelijke regels vallen erfenissen en schenkingen niet in de (beperkte) gemeenschap. Dit doet echter niets af aan het feit dat de langstlevende ook dan dient aan te tonen dat de premies volledig uit dit privé-vermogen zijn voldaan.

Kruislingse premie/polis

In bijna alle gevallen dat een ORV door een koppel wordt afgesloten, zal de verzekeraar uitgaan van een zogenaamde kruislingse polis. De man wordt de verzekeringnemer en begunstigde van de polis waarbij de vrouw het verzekerd lijf is en vice versa. De man betaalt aan de verzekeraar de premie die verband houdt met het risico dat de man overlijdt en andersom.

De gedachte hierachter is dat de regeling van de fictieve verkrijging dan niet van toepassing is.

Als de man en de vrouw gehuwd zijn zonder het opstellen van huwelijkse voorwaarden, werkt deze kruislingse methodiek enkel en alleen als de begunstigde kan aantonen dat de premies uit privé-vermogen zijn voldaan, zoals hiervoor aangegeven.

Voor samenwoners en echtparen met huwelijkse voorwaarden ligt het echter anders.

Kan het samenlevingscontract de kruislingse polis dragen ?

Als de man en de vrouw samenwonen, betalen zij mogelijk bepaalde kosten gezamenlijk. Maar er bestaat wettelijk gezien geen enkele verplichting daartoe. Hieruit volgt dat de ORV-premies niet automatisch behoren tot de kosten van hun gezamenlijke huishouding.

Pas als partijen (schriftelijk) zijn overeengekomen dat zij de kosten van de huishouding gezamenlijk zullen voldoen, kan er sprake van zijn dat deze premies door hen samen worden voldaan. Het gevolg van zo´n afspraak is echter dat ook erfbelasting geheven zal worden over het door de verzekeraar op grond van de ORV uit te betalen bedrag. Daarom wordt doorgaans in het samenlevingscontract vastgelegd dat de ORV-premie betaald/gedragen dient te worden door degene die de begunstigde van de polis is.

Het samenlevingscontract moet de kruislingse premiebetaling dus ‘dragen’.

Kunnen de huwelijkse voorwaarden de kruislingse methode dragen ?

Als partijen niet samenwonen maar met elkaar zijn gehuwd, zijn zij op grond van de wet verplicht de kosten van de huishouding samen te betalen. Dat betekent concreet dat op grond van de wet ieder van hen meebetaalt aan de premie van de ORV die is aangegaan met hem- of haarzelf als verzekerd lijf.

Als partijen dit niet willen, bijvoorbeeld vanwege de fictiebepaling van artikel 13 Successiewet, moeten zij huwelijkse voorwaarden op laten stellen. Voor deze voorwaarden geldt, evenals voor de bepalingen in een samenlevingscontract, dat zij de kruislingse premiebetaling moeten kunnen ‘dragen’.

SAMENVATTING

In het voorgaande hebben we met enkele cijfervoorbeelden proberen aan te geven wat de gevolgen zijn van het al dan niet tekenen van een partnerverklaring. Die zijn enerzijds civielrechtelijk en anderzijds fiscaal van aard.

Simpel gezegd is het civiel zo, dat mét een partnerverklaring de langstlevende het voordeel heeft van de uitkering. Deze loopt buiten de boedel om. Dat kan van belang zijn als het de wens van partijen is om de kinderen zo min mogelijk te laten verkrijgen. Denk aan de situatie dat er kinderen uit eerdere relaties zijn met wie de verhouding sub-optimaal is. Ook kan dit spelen als de langstlevende een klein weduwepensioen zal ontvangen omdat het weduwepensioen uitbetaald moet worden aan meerdere personen doordat de man eerder gescheiden is.

Fiscaal kan het al dan niet afgegeven zijn van een partnerverklaring inhouden dat er minder of juist meer erfbelasting verschuldigd is. Daarbij maakt ook nog uit of enkel gekeken wordt naar de te betalen erfbelasting als de eerste van het koppel overlijdt of naar de totale heffing waarin ook de bij het overlijden van de langstlevende verschuldigde belasting wordt meegenomen.

Al met al is er geen ‘hard and fast rule’ wanneer een partnerverklaring het beste is. Op grond van diverse scenario’s kan een goede indicatie gegeven worden, maar het vergt tijd om de uitkomsten daarvan door te rekenen. Daarbij moet dan ook nog bedacht worden dat het gaat om resultaten op basis van de huidige stand van zaken; een momentopname dus.

Wat we wel als duidelijk advies kunnen meegegeven is dat ieder echtpaar huwelijkse voorwaarden moet opstellen. Door de juiste (fiscaal getinte) clausule inzake de draagplicht van de premies op te nemen, kan voorkomen worden dat de uitkering meegenomen wordt bij de berekening van de door de langstlevende te betalen erfbelasting.

Bron: column van mr Ernst Loendersloot LL.M en mr Danielle Driessen, senior kandidaat-notarissen, van 1 februari 2020 op www.ntrs.nl

Ga terug naar de vorige pagina